Zwijdrechtse Wijnpeer (1850)

Historie: 

Onbekend. Een oude peer die door de Boskoopse kwekers zou zijn verspreid. Waarschijnlijk dezelfde als door Van Noord beschreven is in de Pomologia Batava. Op de Zuid-Hollandse eilanden komt dit ras al sinds lange tijd voor en zal in enkele oude aanplantingen nog wel te vinden zijn. Ook in Zeeland en in de Betuwe is dit ras van betekenis geweest. Aan het eind van de jaren veertig was Zwijndrechtse Wijnpeer in de Betuwe één van de meest aangeplante rassen. In Limburg kwam dit ras sporadisch voor. Zwijndrechtse Wijnpeer werd veel geëxporteerd naar Engeland en Duitsland. Dit ras werd alleen in Nederland geteeld.

Synoniemen:

Van dit ras zijn geen synoniemen bekend.

Vruchtvlees:  

Het vruchtvlees is wit van kleur, het is saprijk, zoet en heeft een goed aroma. Het vruchtvlees zit vol met steencellen.

Bewaren:

Het is een slechte bewaarpeer, hooguit tot eind november. De Zwijndrechtse Wijnpeer is zeer snel buikziek, soms al voor dat de vrucht eetrijp is. 

Formaat vrucht: 

De vrucht is klein tot matig groot, peervormig, langwerpig, gelijkmatig van vorm. De kleur is groen met roestvlekjes en kan bij rijpheid een geelgroene met bruine blos vormen aan de zonzijde.

Plukrijp:

Tweede helft oktober. Ze mag niet te snel geoogst worden, omdat ze slecht narijpt in het koelhuis. 

Consumptierijp:

Tweede helft oktober, vrijwel direct na de oogst consumptierijp.

Gebruik: 

Handpeer, niet geschikt voor inblikken. De peer is bij hardrijpheid ook als stoofpeer te gebruiken.