Winterrietpeer (1700)

Historie: 

De herkomst van de Winterrietpeer is onbekend. Waarschijnlijk is dit een zeer oud Nederlands ras. De naam is vermoedelijk afkomstig van de manier van bewaren, bewaren in kuilen op stro of riet en rietmatten was vroeger heel gebruikelijk. onbekend, sedert onheuglijke jaren hier gekweekt. De variëteit was vrij algemeen verspreid en kwam in alle delen van ons land, hoewel niet overvloedig, vrij algemeen voor.

Synoniemen:

Winterkraaipeer. (Zeeland)
Sileziepeer.
Roggebroodspeer. (in het Westland)
Winterkalebas. (in Utrecht doch falso)
Pannekoekpeer

Vruchtvlees: 

Het vruchtvlees is geelachtig wit, fijn, vrij vast,  voor de stoofpeer fijn van korrel en tamelijk sappig, een beetje rins van smaak met zeer veel aroma. Soms is zij om het klokhuis een beetje stenig. Gestoofd is zij mooi rood van kleur. Zij smaakt wat rins maar met zeer veel aroma. Bewaren: Staat bekend om zijn lange bewaartijd, tot februari.

Formaat vrucht: 

De vrucht heeft een mooie peervorm, van onderen vrij dik en buikig, met een holle lijn tamelijk schielijk naar de steel toe lopend. Wordt middelmatig groot. zeer karakteristiek, altijd grauwbruin, kaneel kleurige roest met grijze stippen, mooi gaaf en voelt wat ruw aan; wat verder in de winter een weinig bruingeel. Sterk aan de zon blootgestelde vruchten hebben aan de zonzijde veelal een weinig dofrood. 

Plukrijp:

Begin tot half oktober.

Consumptierijp:

januari en februari.

Gebruik: 

Wordt wel een van de beste stoofperen genoemd. Rood- tot kaneelkleurig in de kook. Wordt in pannenkoeken gebakken, vandaar dat zij ook vaak »pannekoekpeer« geroemd wordt.