Winterjan (1700)

Historie: 

Onbekend. Vermoedelijk gaat het hier om een inheemse variĆ«teit welke reeds lang (300 jaar) in cultuur is. Dit is echter niet met zekerheid vast te stellen. Het is in elk geval een zeer oud perenras, wellicht al rond 1700 in Nederland ontstaan. Vroeger veel geteeld in het noorden en midden van ons land. 

Synoniemen:

 Mandjespeer.
Winterjan.
Weldrager.
Brittenpeer.
Groospeer.
Steenjut.
Kievitspeer.
Wintersuikerpeer.
Spekpeer.
Steenpeer.
Welleman.* 

* Welleman heeft alle kenmerken van de Winterjan is alleen een beetje groter. Ook wel Dubbele Kleipeer genoemd.

Vruchtvlees:  

Het vruchtvlees is hard, korrelig en wit. 

Bewaren:

Kan goed bewaard worden tot februari en zelfs tot laat in de lente. 

Formaat vrucht:

De winterjan is klein tot matig groot, bijna rond, gelijkmatig van vorm. Hardgroen met veel roest, bij rijpheid geelgroen, nogal 'roestige' peer. 

Plukrijp:

Oktober

Consumptierijp:

December tot februari

Gebruik: 

Alleen geschikt als stoofpeer. Is een roodkoker en vraagt weinig suiker. Kookt iets minder rood dan Gieser Wildeman. Erg lekker.