Nouveau Poiteau (1824)

Historie: 

De Nouveau Poiteau is gekweekt door van Mons en zijn leerling kweker Simon Bouvier uit Jodoigne omstreeks 1827. Er bestond al een peer met de naam Poiteau, daarom kreeg deze variant de naam Nouveau Poiteau om haar te onderscheiden met de oudere peer. De naam komt van een grote Franse pomoloog: Antoine Poiteau (1766-1854) die directeur was van de Koninklijke Tuinen in Parijs. 

Synoniemen:

 Neue Poiteau (Duits.).
Nouveau Poiteau (Frans).
Patawinka (Pools).
Noua Poiteau (Roemeens).
Novaja Puato (Rusland.)
Snotpeer.
Snottebel.
Bougiepeer (België)
Poire d’attrape (België)

Vruchtvlees:  

Het vruchtvlees wit en net onder de schil zelfs groenachtig wit. Zij is fijn korrelig, zacht smeltend, zeer saprijk, met weinig aroma en flauw zoet tot fijnzurig zoet, vaak wat waterig en smaakloos. Dit is enigszins afhankelijk van de standplaats en weersomstandigheden.  Om deze laatste eigenschappen vinden velen het slechts een zeer matige peer.

Bewaren:

Slecht te bewaren, snel buikziek zonder uitwendige verkleuring. Vrije opslag verdraagt het rijp worden tot vorst inval. Natuurlijke opslag tot (maximaal) midden november, in hogere gebieden tot midden december. voortdurend controleren op rijpheid en beurs zijn. Daar de schil van de rijpe vruchten nog troebel groen blijft.

Formaat vrucht: 

Een middelgrote vrucht, van 6 – 7 ½ cm breed en 8 – 10 ½ cm hoog. De vorm noemt men typisch voor een Poiteau, namelijk smal toelopend bij de kelk. In het midden vrij dik en buikig. Dof groen met veel roest.

Plukrijp: 

Eind september tot begin oktober.

Consumptierijp:

Oktober – november. 

Gebruik:

Tafel en consumptiepeer voor vers gebruik (maar dan van tweede of derde klasse), huishoudelijk voor compote en conserven op sap; zeer geschikt om te drogen; hardrijp voor sap. De peer is bij hardrijpheid ook als stoofpeer te gebruiken.