Kruidenierspeer (1850)

Historie: 

De Kruidenierspeer is waarschijnlijk rond de Eerste Wereldoorlog ontwikkeld. Zij is daarmee niet ouder dan een eeuw, maar wordt desondanks toch tot de oude fruitrassen gerekend. Terecht, want ze wordt al enkel decennia niet meer commercieel geteeld. Het is een “jong ras van vroeger”. De eerste vermelding van de Oomskinderpeer of Kruidenierspeer is te vinden in de catalogus uit het seizoen 1917 – 1918 van vruchtboomkweker G.A. van Rossum uit Naarden. In eerdere kwekerslijsten komt ze niet voor.  Zijn naamgever is de familie Kruidenier, vermoedelijk uit het Zuid-Hollandse afkomstig. Hoe hij aan de naam Oomskinderpeer komt, is onduidelijk. Wellicht dat door de zoete, verder neutrale smaak deze peer in de smaak viel bij jonge neefjes en nichtjes van oom Kruidenier? Na de Tweede Wereldoorlog is ze bij de professionele kwekers in ongenade gevallen: zij wordt afgevoerd uit de 6e Rassenlijst in 1948. 

Synoniemen:

Kruidenierspeer.
Oomskinderenpeer

Vruchtvlees:  

Het vruchtvlees is wit, betrekkelijk droog, vrij grof, maar vast van structuur en min of meer korrelig. De smaak is goed. Als zij net rijp is smaakt zij zoet tot licht rins, maar zij is zeer snel melig. 

Bewaren:  

Valt niet te bewaren, snel melig en beurs.

Formaat vrucht:

De Vrucht is klein, kort, buikig. Gelijkmatig van vorm. Naar de steel iets afgeplat en doet aan een appel denken.Op Kwee worden de vruchten iets groter.

Plukrijp: 

De vruchten beginnen al vanaf eind juli te rijpen, terwijl de pluk en gebruikstijd zich uitstrekt tot half augustus. Rijpt daarnaast zeer snel en moet in enkele dagen geoogst worden. Behoort wel tot een van de beste variëteiten onder de vroegrijpende peren.

Constumptierijp: 

Eind juli en begin augustus. 

Gebruik: 

Hand- en keuken gebruik, blijft na het koken wit. De peer is bij hardrijpheid ook als stoofpeer te gebruiken.