Juttepeer (middeleeuws)

Historie: 

Onzeker, Frankrijk of Nederland; in de literatuur gedeeltelijk verwisselt als Beurré Gris en met Graue Herbstbutterbirne. Een zeer oude - waarschijnlijk Nederlandse - handpeer. Werd al in de Middeleeuwen vermeld. Er zijn selecties als de Dubbel Jut en de Koningsjut in omloop geweest. De Jut is al vele eeuwen in ons land een gewilde late zomerpeer. 

Synoniemen:

Poire Yat.
Gute Graue.
Gråpäron.
Dubbele Jut.
Konings Jut.
(Jodenpeer.)
Het synoniem Jodenpeer voor Jut staat tussen haakjes omdat de Jodenpeer eigenlijk een ander ras is. Toch werd deze naam voor Jut gebruikt omdat Jut in Amsterdam door de Joodse bevolking veel werd gekocht. Juttepeer is falso, hiermede wordt de Groninger Juttepeer een zaailing van de Beurré Beucke mee bedoeld.

Vruchtvlees:  

Het vlees is wit, saprijk, fijn, en smeltend. Rond het klokhuis komen vaak lichte steencellen voor. De kleur is geelachtig wit. Zij heeft een fijne structuur, smeltend, sappig, typisch krachtig harmonisch zuurzoet, nobel aromatisch buitengewone smaakkwaliteit.

Bewaren: 

Deze peer kan eigenlijk niet bewaard worden. Na het plukken moet zij binnen 14 dagen gegeten worden of verwerkt. 

Formaat vrucht: 

Een kleine tot middelgrote vrucht van 4-5 cm breed en 5,5-7 cm hoog. De peer is tol-. Stompkegelvormig of mooi peervormig te noemen, midden- tot kelkbuikig, steelwaarts dunner; vruchtzijden effen, glad. Een regelmatige vorm. De schil is zeer taai.

Plukrijp: 

De Juttepeer moet eind Augustus worden geplukt. In September heeft zij meestal volledige rijpheid bereikt, en kan dan tot het laatst van die maand worden gebruikt.

Consumptierijp:

begin tot midden september.

Gebruik: 

Tafelpeer voor vers gebruik, compote en conserven op sap, om te drogen en hardrijp voor sapwinning. De peer is bij hardrijpheid ook als stoofpeer te gebruiken. Kan in harde toestand goed als stoofpeer gebruikt worden, kleurt dan roze.