Goudbal (1800)

Historie: 

Typisch streekras voor de noordelijke provinciën. Komt van oudsher in het Noorden voor. Vermeld wordt dat bij de bouw van koloniehuisjes in het Fries - Groningse veengebied rondom 1890 een Goudbal voor het huis werd geplant.

Synoniemen:

Geen synoniemen bekend van Goudbal.

Vruchtvlees:  

Wit en zacht. Aangenaam rinse smaak. Als ze fraai gekleurd is, is ze vaak al melig. 

Bewaren: 

Moet eigenlijk als de peer begint te kleuren direct van de boom gegeten worden.

Als de vruchten geel zijn worden ze melig en zijn niet lekker.

Formaat vrucht: 

De middelgrote vrucht is bergamotachtig tot breed peervormig. Breedte 55–65 mm., hoogte 50-60 mm., afgeplat bolvormig. De bijna ronde peer heeft een ondiep oog en een zeer korte steel, gladde schil, witachtig groen met zachte rode blos. Bij rijping wordt ze prachtig egaal lichtgeel van kleur met lichte grijsbruine stipjes. Soms wat roze-paarse vlekjes. Om de steel wat roest. Bij de steel een knobbeltje, waarop ze vaak als op een kussentje rust.

Plukrijp: 

De peer is eind augustus rijp en slechts kort houdbaar

Gebruik: 

Onrijpe vruchten zijn prima geschikt als stoofpeer.