Present van Engeland (1850)

Historie: 

Hoewel de naam anders doet vermoeden is het een oud Nederlands ras, dat buiten ons land onbekend is. Hij is al anderhalf eeuw bij ons beschreven, maar onbekend in de buitenlandse literatuur. Rond 1899 werden al oude zware bomen aangetroffen, wat er op duidt dat het een oud ras is. Behalve in de IJsselstreek vond men hem ook in Noord Holland (Beemster-West Friesland) en in mindere mate in Zuid-Holland. Elders bleef hij zeldzaam. 

Synoniemen:

Heerappel.

Vruchtvlees:  

Het vruchtvlees is geelwit, om het klokhuis iets groen wit of met groene aderen bezet. Frisse zachtzure smaak, fijn zacht en sappig, los, niet knappend, zeer aromatisch. De kenmerkende smaak is bij geen andere soort aangetroffen.

Bewaren: 

Natuurlijke opslag tot aan het einde van de winter  Is een waardevolle handels-appel, welke goed bewaard kan worden. 

Formaat vrucht: 

Een middelmatig tot grote appel met een zeer karakteristieke vorm, buiten gewoon langwerpig en smal, bij de kelk vrij smal en afgeknot en gewoonlijk iets scheef. Dikwijls treft men er verbazend en mooie grote exemplaren van aan.  De schil is mooi glad en gaaf, zelden of nooit beschadigd of met stippen bezet. Aan de boom is de appel grasgroen met aan de zonzijde een bruin kleurtje, tegen het rijpen wordt hij mooi geel met een prachtige, levendig rode kleur.

Plukrijp: 

Midden oktober. 

Consumptierijp:

november tot eind van de winter. Zeer vroeg en rijk dragend. “Een vruchtbaarder soort is ons niet bekend”  werd in 1905 geschreven.

Gebruik:

Goede handappel voor vers tafelgebruik. Voor de connaisseurs een der fijnste appelen, zacht van vlees met een subtiel aroma. Zeer goede winterappel. Heeft als nadeel dat het klokhuis zeer groot is, waardoor men minder vruchtvlees treft dan men naar de grootte van de appel zou vermoeden.