Landsberger Reinette (1850)

Historie: 

Er is enige verwarring rond de eerste teler van deze appelsoort. Wordt in de ene beschrijving genoemd dat deze appel bekend is vanaf midden 19e eeuw (1850) door Burchardt in Landsberg aan de Warthe geteeld. Dan wordt in de andere beschrijving Jhr. O. R. Alberda van Ekenstein genoemd die rond 1830 al met deze vrucht kwam. Het betreft hier echter een andere soort, namelijk de Ekensteiner Reinette. Landsberger Reinette kwam vroeger vrij veel voor in het zuiden van ons land. De variëteit is nooit algemeen verspreid, vermoedelijk als gevolg van grote vatbaarheid voor kanker. Het was wel een vrucht van goede kwaliteit, mooi van uiterlijk en daardoor wel geschikt voor de handel.

Synoniemen:

 Reinette van Ekenstein

Vruchtvlees:  

geelachtig wit, luchtig, bijna schuimig tot middel vast, fijncellig, sappig, mild zurig met een fijn zacht aroma. Vruchten op schaduwplaatsen zurig, zonder enige smaak en flauw.

Bewaren:

In natuurlijke opslag zonder slap te worden, wel wordt de schil wat kleverig, tot januari / februari. Niet te laat uit de opslag halen, anders zijn ze melig en zonder aroma. In koelopslag bij +0,5 tot 1ºC. 5-6 maanden.

Formaat vrucht: 

Klein tot groot, ongeveer 8 1/2 cm breed en 7 ½  cm  hoog. Bol-, breed- en vlakvormig. De zijden zijn praktisch symmetrisch.

Plukrijp:

Midden oktober. De vruchten kunnen dicht bij elkaar hangen maar  zijn windvast. De appels worden meestal te vroeg geoogst, de vruchten winnen bij latere oktoberoogst, aan suikergehalte en grootte. 

Gebruik: 

De appels  zijn  consumptierijp van oktober tot en met februari. Vruchten zijn geschikt voor vers gebruik, huishoudelijk voor alle verwerkingen, ook voor sap en moes.