Brabantse Bellefleur (1780)

Historie: 

Oud ras met onzekere herkomst, waarschijnlijk uit Nederland of België. Feit is dat devariëteit een zeer grote verspreiding kende in het gehele land, veel meer dan in welk ander buurland dan ook. De Brabantse Bellefleur zou, volgens Lindemans, reeds in een Brussels stuk uit 1662 vermeld staan.

Synoniemen: 

 

 Brabantse Bellefleur (ofschoon in West Brabant en Pajottenland steevast wordt verklaard dat Brabantse Bellefleur verschillend is van de Enkele Bellefleur.)

Bellefleur de Brabant

Petite Bellefleur
Kleine Bellefleur
Petit Bon Pommier
Bon Pommier (Waalse provincies)
Bellefleur Simple
Petite Bonne Ente (in Noord Frankrijk)
Winter Bellefleur (Antwerpen).

Vruchtvlees:  

wit, matig sappig (soms ook betrekkelijk droog), zacht zuur, aangenaam aroma. Wordt niet melig. De pitten zitten soms los in de zaadholten, waardoor vaak met de bijnaam “Rammelaar” betiteld.

Bewaren: 

Laat zich gemakkelijk bewaren zonder veel verlies.

Formaat vrucht: 

Klein tot matig groot, onregelmatig van vorm en een beetje kantig, ongeveer even hoog als breed, scheef, meestal hoger aan een kant en iets geribd bij de kelk..  De schil is glad, half blinkend en groengeel van kleur. Wordt bij rijpheid mooi glanzend strogeel met rood. 

Schil:

glad, half blinkend, groengeel van grondkleur, strogeel en wasachtig bij rijpheid. 

Plukrijp: 

Eind september 2de helft oktober.

Consumptierijp:

december tot maart.

Gebruik:

Keukenappel, van de 2e  kwaliteit als dessertappel