Boiken (1828)

Historie: 

De Boiken is afkomstig uit de omgeving van Bremen (Duitsland) waar zij lange tijd algemeen verbouwd werd. Waarschijnlijk is zij genoemd naar een voormalig dijkvoogd die Boike heette. Oberdieck maakte de Pomologen in Berlijn er reeds in 1860 attent op, maar pas in Trier werd de Boiken in de lijst met 50 meest aa

Synoniemen:

Er zijn geen synoniemen bekend van deze soort. Vruchtvlees:  

Vruchtvlees:

Het vruchtvlees is sneeuwwit van kleur, fijn van structuur. Bij het plukken is zij nog vrij vast, maar later kan zij zachter worden  en zeer saprijk met een aangenaam, licht zuur aroma. Bewaren: 

Bewaren:

Boiken is een appel die zich goed laat bewaren, zelfs tot de volgende zomer.

Formaat vrucht: 

De Boiken is een grote vrucht van ongeveer 8 ½ cm breed en 7 cm hoog. Zij is regelmatig gevormd met sterke ribbels vooral rond de steelholte. De huid is glad, vettig, dun, citroengeel, aan de zonzijde met oranjerood en violet, dat zich tot in de steelholte uitstrekt, met witte stippen, die evenwel op de afgebeelde vrucht ontbreken. 

Plukrijp:

wordt niet vermeld.

Consumptierijp:

van december tot en met maart en soms ook nog langer. 

Gebruik: 

Een eerste klasse appel voor keukengebruik, maar in de zomer ook een prima tafelvrucht.